Er zijn restaurants waar je één keer eet. En er zijn restaurants waar je je schuldig voelt als je er níét eet. Ik was laatst een weekje op het Griekse eiland Zakynthos met mijn gezin. Ons appartement zat in het kustplaatsje Kalamaki. Daar vonden wij een restaurant waar de bediening het zó goed deed, dat ze alle concurrentie op het eiland wegspeelde.

Denk bij Kalamaki niet aan een idyllisch dorpje met witte huisjes, balkonnetjes vol bloemen en terrasjes met Grieksblauw interieur, maar aan een lange straat waar je binnen vijftig meter een nagelsalon vindt, plus drie excursiebureautjes voor dé befaamde schildpaddentour en ongeveer twaalf gyrostenten, afgewisseld met burger- en cocktailbars.

En daar, in al dat toeristische geweld, zat een restaurant met vlees en verse vis op de kaart. Het heette Parthenon, zoals toevallig ook ‘de Griek’ in onze woonplaats Apeldoorn heet. Dit restaurant zag er – in het nog halfslaperige voorseizoen – het meest uitnodigend uit, en dus streken we neer.

Ze hadden alles wat een gezin nodig heeft om discussie aan tafel te voorkomen: gyros (voor de mannen), friet met een snack (voor dochterlief) en gegrilde inktvis (voor mijzelf, want iemand moet de culinaire eer een beetje hoog houden).

De inktvis was heerlijk, de friet had wat langer in de frituur gemogen en de bediening was leuk. Echt leuk. Eén medewerker vertelde openhartig hoe hij in het laagseizoen olijven plukt en met zijn zoon vist, om vervolgens in de zomer in Parthenon te werken. En dat al tien jaar lang. Bij vertrek kregen de kinderen van hem een lolly en mijn man een handdruk met een schouderklap. Griekse gastvrijheid met een gouden randje.

Op dag twee besloten we de omgeving te verkennen en de middag door te brengen bij het zwembad. Tegen etenstijd stonden we weer in Kalamaki. “Wij willen naar dat restaurant met die lolly”, klonken twee kinderstemmen. En ik? Ik had zeebaars op de kaart zien staan en had trek. Hoewel ik normaal gesproken op vakantie liefst iedere dag in een ander restaurant in een ander dorp wil eten, gingen we opnieuw naar hetzelfde restaurant.

"Dit keer ging het niveau van gastvrijheid van ‘goed’ naar ‘jullie zijn deze vakantie onze familie’"

Dit keer ging het niveau van gastvrijheid van ‘goed’ naar ‘jullie zijn deze vakantie onze familie’. De bediening vermaakte de kinderen, er werd tikkertje gespeeld voor het restaurant en de avond eindigde niet alleen met lolly’s, maar ook vanille-ijs voor de kids. Van het huis. Voor de volwassenen verscheen er een glas ouzo op tafel. Ook van het huis. Bij het afscheid kreeg mijn man geen hand, maar een knuffel van de eigenaar.

Terwijl ik in mijn hoofd nog één keer door mijn thuis zorgvuldig samengestelde lijst met Instagramfavorieten van idyllische strandtentjes met uitzicht op de azuurblauwe zee scrolde, hoorde ik mijn man alweer vrolijk roepen: “Tot morgen!”

De volgende dag zaten we op een klif verse vis (en gyros voor de mannen) te eten met een duizelingwekkend mooi uitzicht op zee. De vis was lekker, de bediening gehaast en onpersoonlijk. En ik voelde me… schuldig. Richting de lieve mensen van Parthenon.

Als je zó goed bent in het gastvrijheidsvak dat het voor gasten voelt als vreemdgaan wanneer ze op een mooiere plek gaat eten, dan heb je het écht begrepen.